Horizonder

Wat is je uitzicht daarboven, zo zonder kinderen?

Dag Marijntje

op 22 september 2012

Het park is donker. De hoge eikenbomen tekenen zich af tegen de door de stadsverlichting oranje gekleurde wolken. Het gras is zwart en op het pad glinsteren wat kiezelstenen. Het is negen uur ’s avonds. Een mooie tijd om op een bankje te gaan zitten als het een zwoele zomeravond zou zijn, maar dit is de eerste dag van de herfst, en het weer is er ook naar.

De man en de vrouw lopen naast elkaar, gearmd, hoofden gebogen. Ze hebben allebei een regenjas aan. De vrouw draagt een rugzak. De man houdt een paraplu boven hun hoofden. Ze zwijgen, kijken rond, niet op hun gemak.

Na een bomenrij slaan ze linksaf en lopen een door struikgewas omzoomd gasveldje op. “Hier?” vraagt de vrouw aan de man. Hij kijkt omhoog. “Die hoge eik, daaronder zal het zijn”. Ze duwen wat rhodondendrontakken aan de kant en lopen de struiken in naar de voet van een van de hoogste eikenbomen in het park. De regen komt in flinke druppels naar beneden, tikkend op de leerachtige bladeren om hen heen. De grond is bezaaid met blad, bruin, humusachtig, geurig. De vrouw neemt haar rugzak af en haalt daaruit een legergroen opvouwbaar schepje. Ze geeft het aan de man.

“Hier, tussen de wortels lijkt me goed”. De man knikt en zet de schep in de grond. Een paar minuten graaft hij.

“Hoe diep moet het eigenlijk?” vraagt hij. De vrouw denkt kort na. Als de honden er maar niet bij kunnen. “Iets van veertig centimeter?” stelt ze voor. De man graaft nog even door. In het licht van een zaklamp inspecteert de vrouw het gat. “Zo zal het wel goed zijn, denk ik”, zegt ze.

Uit de rugzak haalt ze een kartonnen koker waar ooit een fles whisky in zat. Met een plop komt het deksel los als ze er aan wrikt. Zachtjes laat ze de inhoud in de handen van de man glijden. Roze ruitjes. Een zakdoekje. Tranen wellen op in haar ogen.

“Zullen we nog even kijken?” vraagt ze. De man vouwt de punten van de zakdoek naar buiten. Een glanzend klein mensenlijfje ligt naakt op het textiel. Handjes die passen op de nagel van een pink. Magere beentjes. Een hoofdje zo groot als een duivenei.

“Dag Marijntje”, zegt de man. “Dag klein jongetje”, zegt de vrouw. Ze kijken elkaar aan. Schouderophalend. “Nou, leg hem er maar in”, zegt de man.

De vrouw neemt het kindje en vouwt de zakdoek weer toe. Ze knielt aan de voet van de boom en laat met haar rechterhand de piepkleine lijkwade in de grond zakken. Het is koud en vochtig en donker daar beneden.

Samen gooien ze het grafje dicht. Ze duwen de aarde zachtjes aan en leggen wat blad op de plek om de graafsporen te verdoezelen. Ze staan op.

De man begint schokshouderend en hardop te huilen. De hemel antwoordt met een extra hoeveelheid regendruppels. De vrouw pakt haar man vast. Samen huilen ze een paar minuten.

“Dat was het dan”, zegt de vrouw. “Ja, dat was het dan”, bevestigt de man. Arm in arm lopen ze terug het grasveld op en kijken nog eens naar boven. “Daarboven zal hij waaien in de wind, als het lenteblad groeit”, zegt de vrouw. “En misschien spelen er wel kinderen op zijn graf in de zomer.”

Elk jaar sindsdien komen de man en de vrouw terug. Aan het begin van de lente en aan het begin van de herfst. Ze lopen het struikgewas in en kussen de grove, gegroefde bast van de eik. “Dag Marijntje”.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: