Horizonder

Wat is je uitzicht daarboven, zo zonder kinderen?

Dag Marijntje

Het park is donker. De hoge eikenbomen tekenen zich af tegen de door de stadsverlichting oranje gekleurde wolken. Het gras is zwart en op het pad glinsteren wat kiezelstenen. Het is negen uur ’s avonds. Een mooie tijd om op een bankje te gaan zitten als het een zwoele zomeravond zou zijn, maar dit is de eerste dag van de herfst, en het weer is er ook naar.

De man en de vrouw lopen naast elkaar, gearmd, hoofden gebogen. Ze hebben allebei een regenjas aan. De vrouw draagt een rugzak. De man houdt een paraplu boven hun hoofden. Ze zwijgen, kijken rond, niet op hun gemak.

Na een bomenrij slaan ze linksaf en lopen een door struikgewas omzoomd gasveldje op. “Hier?” vraagt de vrouw aan de man. Hij kijkt omhoog. “Die hoge eik, daaronder zal het zijn”. Ze duwen wat rhodondendrontakken aan de kant en lopen de struiken in naar de voet van een van de hoogste eikenbomen in het park. De regen komt in flinke druppels naar beneden, tikkend op de leerachtige bladeren om hen heen. De grond is bezaaid met blad, bruin, humusachtig, geurig. De vrouw neemt haar rugzak af en haalt daaruit een legergroen opvouwbaar schepje. Ze geeft het aan de man.

“Hier, tussen de wortels lijkt me goed”. De man knikt en zet de schep in de grond. Een paar minuten graaft hij.

“Hoe diep moet het eigenlijk?” vraagt hij. De vrouw denkt kort na. Als de honden er maar niet bij kunnen. “Iets van veertig centimeter?” stelt ze voor. De man graaft nog even door. In het licht van een zaklamp inspecteert de vrouw het gat. “Zo zal het wel goed zijn, denk ik”, zegt ze.

Uit de rugzak haalt ze een kartonnen koker waar ooit een fles whisky in zat. Met een plop komt het deksel los als ze er aan wrikt. Zachtjes laat ze de inhoud in de handen van de man glijden. Roze ruitjes. Een zakdoekje. Tranen wellen op in haar ogen.

“Zullen we nog even kijken?” vraagt ze. De man vouwt de punten van de zakdoek naar buiten. Een glanzend klein mensenlijfje ligt naakt op het textiel. Handjes die passen op de nagel van een pink. Magere beentjes. Een hoofdje zo groot als een duivenei.

“Dag Marijntje”, zegt de man. “Dag klein jongetje”, zegt de vrouw. Ze kijken elkaar aan. Schouderophalend. “Nou, leg hem er maar in”, zegt de man.

De vrouw neemt het kindje en vouwt de zakdoek weer toe. Ze knielt aan de voet van de boom en laat met haar rechterhand de piepkleine lijkwade in de grond zakken. Het is koud en vochtig en donker daar beneden.

Samen gooien ze het grafje dicht. Ze duwen de aarde zachtjes aan en leggen wat blad op de plek om de graafsporen te verdoezelen. Ze staan op.

De man begint schokshouderend en hardop te huilen. De hemel antwoordt met een extra hoeveelheid regendruppels. De vrouw pakt haar man vast. Samen huilen ze een paar minuten.

“Dat was het dan”, zegt de vrouw. “Ja, dat was het dan”, bevestigt de man. Arm in arm lopen ze terug het grasveld op en kijken nog eens naar boven. “Daarboven zal hij waaien in de wind, als het lenteblad groeit”, zegt de vrouw. “En misschien spelen er wel kinderen op zijn graf in de zomer.”

Elk jaar sindsdien komen de man en de vrouw terug. Aan het begin van de lente en aan het begin van de herfst. Ze lopen het struikgewas in en kussen de grove, gegroefde bast van de eik. “Dag Marijntje”.

Een reactie plaatsen »

Een emmer

Deze week is heel erg rottig. Vandaag is het acht jaar geleden dat ons kind werd ‘geboren’. Zo noem ik het maar, omdat het ook echt zo voelde. Ik was 15 weken zwanger. Ik had weeën. Mijn vruchtwater brak. Bij een miskraam had ik me geen bevalling voorgesteld, eerder een extra heftige menstruatie of zoiets.

Ik had al vijf weken last van bloedingen. Tot vijf keer toe lag ik op een behandeltafel en werd er een echo gemaakt. Elke keer zag het er goed uit, zeiden de artsen. Ons kind lag vrolijk te spartelen.

Dat het mis ging, was dus een hele schok. Traumatisch zelfs. Niemand had me voorbereid op het ergste. Niemand had me verteld dat een miskraam bij vijftien weken al best wel voelt als een bevalling. Wat een pijn, niet normaal.

Wat medische hulpverlening betreft viel ik tussen wal en schip. Mijn verloskundige kon me niet verder helpen, “omdat het geen probleemloze zwangerschap meer was”. Bij de gynaecoloog werd ik de avond voor de miskraam weer naar huis gestuurd. “Misschien heeft u een blaasontsteking”.

’s Ochtends heb ik dus nog urine ingeleverd voor onderzoek naar blaasontsteking. Toen ’s middags het vruchtwater brak, wist ik dat het voorbij was. Ik was thuis met mijn vriend. Er was geen professionele hulp. Mijn lijf wist gelukkig wat er moest gebeuren en nam de regie. Mijn vriend kon weinig anders doen dan machteloos toekijken hoe ik op mijn kop stond van de pijn. De huisarts was visites afleggen, dus die kwam na de miskraam pas. Aan de telefoon zei hij tegen mijn vriend: “Als ze heel veel bloed verliest, breng haar dan naar het ziekenhuis”.

De herinneringen spoken deze week weer door mijn hoofd. Alsof er geen tijd is verstreken voel ik weer de hulpeloosheid, de paniek. Ik zie de geschrokken, bezorgde blik in de ogen van mijn vriend. Op mijn netvlies staan de beelden van bloed, placenta en kindje, samen in een emmer. Een fucking EMMER.

Morgen is het 22 september, de dag dat we ons kind begroeven. Het is acht jaar geleden. Ik heb de hoop opgegeven dat de pijn ooit weggaat.

Een reactie plaatsen »

Waarom zeg je niks?

In een boek van Caitlin Moran, How to be a woman, las ik – in een passage over abortus weliswaar – deze passage:

Across the world, women are doing what they have always done, throughout history: dealing with a potentially life-altering or life-threatening crisis, and then not talking about it afterwards. In case anyone near to them – those people that are not bleeding, and have not just have an abortion – get upset. (p. 276)

Ook al ben ik ongewenst kinderloos, ik ben nog steeds voor abortus. Maar daar gaat het niet over. Mij raakte de zin “In case anyone get upset”. Volgens mij is deze passage evenzeer van toepassing op miskramen en ongewenste kinderloosheid. Je houdt je mond, voor het geval iemand anders er overstuur van raakt.

Lees de rest van dit onderwerp »

Een reactie plaatsen »

Vinex-baby’s, plop, plop, plop

Wij wonen in een Vinex-wijk, meneer en ik. Negen jaar geleden leek ons dat een uitzonderlijk goede plek om te wonen. Rustige straten, ruimte om te spelen, een school aan het einde van de straat. Drie slaapkamers, een tuin en een zolder. Kwartier fietsen van het centrum. Perfect.

Tussen het moment dat we wisten wat ons nieuwe huis zou worden en het moment dat we erin konden trekken, verliet ons kind mijn buik voortijdig. Dat was heel verdrietig.

Toch verhuisden we vol goede moed. We probeerden jarenlang onder de dekens om er een nieuwe bewoner bij te maken. Kindervoetjes op de houten vloer, dat leek ons wel wat. Maar tevergeefs.

Lees de rest van dit onderwerp »

Een reactie plaatsen »